Een aantal jaren geleden schreef ik ‘Zand’. Een column over mijn loopmaatje Tommy. In ‘Zand’ deed ik een duurloopje over het vlakke strand van de Noordsvaarder in de richting van Paal 8. Soms is hij naast, vaak ver voor en af en toe achter mij. Tommy is een hond. En honden ervaren de ruimte van dit brede strand als een reis in de ruimte. Tenminste, dat vermoed ik. Onrustig als hij is alvorens het duin moet worden overgestoken (de lancering) en uitgelaten als de oneindige ruimte van het zand voor hem opdoemt (de stratosfeer). Baasje en hond, ze zouden hier voor altijd moeten kunnen rennen.
Natuurlijk is Tommy geen gewone hond, zoals elke hond speciaal is voor zijn baasje. Alleen Tommy (eigenlijk heet hij Twombly, maar daarover een andere keer) verschilt in een belangrijk opzicht van de gemiddelde Nederlandse hond (zoals ik als loper van de gemiddelde Nederlandse man verschil). Tommy is namelijk een ‘duurloophond’. Hij heeft meer kilometers gemaakt dan welke hond ook (behalve ‘Witte’ natuurlijk, de bordercollie van Jan Knippenberg …).
Zonder mokken liep hij kilometers met mij mee. Geen training werd overgeslagen zonder de kleine Friese stabij, dravend op vertrouwde afstand. Soms, bij een intervaltraining liet ik hem wel eens thuis. Om hem dan na een uurtje met een enorm schuldgevoel in zijn treurige hondenogen te kijken. ‘Volgende keer weer samen een fartlek in het bos Tommy’, zei ik dan verontschuldigend.
In 2008 besloot ik de Berenloop eens met z’n tweeën te doen. Tommy had mij immers steeds vergezeld tijdens de lange duurlopen ter voorbereiding op Terschelling. Over zijn conditie konden geen twijfels zijn.
Op die eerste zondag in november voegden we ons een eindje verderop tussen het peloton hardlopers. Het gedrang (en het schot) bij de start wilde ik hem besparen. “Ach, moet die hond zo’n eind lopen?’ werd mij onderweg steeds gevraagd. Alsof het alleen voor hem zo zwaar is. En z’n baasje dan? Het werd een ‘tempo lento’ race, want een reu moet je een beetje ruimte geven om af en toe een ‘vlagje’ te doen.
Niet onbelangrijk is het water onderweg. Bij elke verversingspost liet ik hem drinken uit zo’n plastic bekertje. Althans, we deden ons best. Hier hadden we niet op getraind. Wellicht kan de organisatie eens denken aan drinkbakken voor deze sportieve viervoeters?
Eenmaal onder de voet van de Brandaris –we hadden er samen ruim 4 uur opzitten- kreeg ik een medaille om (oei wat was ie weer lelijk). Voor de foto even om de nek van Tommy. Stoere hond. T-shirt halen (wat was ie weer leuk), een paar koppen bouillon en dan weer terug naar de boerderij in Landerum. Op de fiets. Toch een kilometertje of zes. En Tommy? Inderdaad, Tommy rennend, joggend. Ik deed heel rustig aan, maar toch. Die hond had die dag bijna 55 kilometer afgelegd en ik maar 42. En één ding wist ik zeker; híj is er de volgende morgen weer klaar voor.
Morgen, dan moet ik achteruit de trap af, en voorzichtig zitten en opstaan. Hardlopen? Daar moest ik even niet aan denken. ‘Kom Tommy, ga je mee? We gaan een eindje eh, wandelen.’
