Auto’s wringen zich door de smalle straatjes van Sant Celoni. Er met je fiets ongeschonden tussendoor laveren is een hele klus. Gelukkig tonen de Spanjaarden respect voor sportief fietsgedrag; bij het inhalen gaan ze ruim om je heen. Aan de rand van de Catalaanse forensenstad kan voor even het grote blad erop. Voor even, want vanuit de verte kijkt de 1.800 meter hoge Turó de L’ome uitdagend naar beneden. Ik duik in het wiel van mijn fietsmaatje Wiep. Hij moet deze klus zien te klaren zonder een tripel. Terwijl ik voor de aanstaande klimpartij mijn helm afzet en vastmaak aan mijn stuur zie ik dat er een dun laagje sneeuw op de top van de Turó ligt.
Inmiddels wijst mijn tellertje een schamele vijftien kilometer per uur aan. Het echte werk is begonnen. Hier zijn we voor gekomen. Uiteraard protesteren de benen al, maar ja, we beklimmen hier geen Amerongse Berg. Glimlachend denk ik aan deze Nederlandse col van de categorie niks. Nu gaan we voor minstens twee uur aan één stuk klimmen. Door mijn hoofd spoken afstanden en stijgingspercentages van de bekende cols; Ventoux, Galibier, Bonette. Vandaag klimmen we van praktisch zeeniveau naar bijna 1.800 meter. Zou dit zwaarder zijn dan Ventoux? Volgens mij is Ventoux nauwelijks hoger of langer, maar ik moet bekennen dat deze kennis uitsluitend gebaseerd is op fietsliteratuur. De veelbesproken geseling van deze “col der cols” heb ik nog nooit mogen ondergaan. Toch kan ik het niet laten Ventoux te relativeren. Zal ik bij terugkomst in Nederland eens lekker opscheppen over mijn beklimming van deze Catalaanse berg?
Na een uur en driekwartier slaan we af voor de laatste zes kilometer. Het begint gelijk goed; met de 30 voor en de 23 achter moet ik oppassen dat ik niet omval. Het moet echt niet langzamer gaan, want dan kan ik beter gaan lopen. Alles doet nu zeer; m’n benen, m’n rug, m’n nek. Om nog wat energie naar boven te halen prent ik mezelf bij elke omwenteling in dat het nu op mentale kracht aankomt. Ik praat, ik schreeuw in mezelf dat ik moet blijven draaien. Wiep is ineens verdwenen in de mist die in flarden over weg waait. De top van de Turó is onzichtbaar geworden, het einde onzeker. Strak kijk ik naar het trage asfalt, en twijfelend aan mijn vermogen hoop ik dat het snel is afgelopen. Als de weg helemaal lijkt te verdwijnen in het niets hoor ik plotseling de stem van Wiep; “Je hebt het gehaald!” De Turó de l’Home ligt voor even onder me. Met respect heb ik van haar gewonnen. Jack aan, helm op, afdalen.
Vanuit het dal kijk nog een keer naar haar besneeuwde kruin. Morgen weer?

