Haarlems Dagblad, 17 december 2004
Circusleven vastgelegd in openhartig boek
“Nergens is het publiek zo hooggeëerd als in het circus.” Dat zegt Robert Ronday, directielid, spreekstalmeester en regisseur van Nederlands Nationaal Circus Herman Renz. In het variétécafé Casablanca aan de Zeedijk in Amsterdam houdt hij het boek ‘Het Circus is in de stad’ ten doop. Een schitterende uitgave, in circusrood met goud uitgevoerd, vol interviews en openhartigheid over het circusleven achter de schermen.
‘Het Circus is in de stad’ beschrijft niet de geschiedenis van Circus Renz, dat is al eerder gebeurd met het boek ‘De lichtjes blijven branden’ .Het is een weergave van het dagelijks leven en alle beslommeringen van het circusbestaan. Het is precies zoals de ondertitel zegt: een portret van het circus. Dat portret heeft gestalte gekregen door prachtige foto’s van Harry Klunder, op één na, de openingsfoto waarop clown Milko in een opening van het zware zeildoek verschijnt en het circus als het ware voor ons opent. Die is gemaakt door bur-gemeester Jaap Pop, die ook het voorwoord schreef. Er is een treffend onderscheid in foto’s gemaakt; het deel wat het publiek nooit ziet is in zwart-wit vastgelegd en de rest in kleur. Tekst en interviews zijn van Jaap Hengeveld.
Het boek is de weerslag van een niet aflatende geestdrift van de circusmensen. Natuurlijk is dat bestaan niet altijd gemakkelijk, maar nergens wordt de toon klagerig. Plezier en vreugde overheersen. Vanzelfsprekend wordt wel ingegaan op het verlies van de oprichters van het huidige Renz, Herman en Diana Renz, die op 13 maart 1996 zo tragisch om het leven kwamen door koolmonoxydevergiftiging in hun woonwagen. Robert Ronday, die het van nabij meemaakte: “Ik ben pas na drie jaar aan het verwerken van de klap toegekomen. Eigenlijk hebben we het nooit kunnen verwerken. Soms bekruipt mij de angst dat ik ook ineens onverwacht dood kan gaan.” De dag na het ongeval gingen de voorstellingen gewoon door. Volgens Ronday had Herman het zo gewild.
In deze circusreportage spreken de twee kleinste mensen van het circus, Anneke Olivier en haar zoon, de clown Milko, openhartig over hun bestaan als opvallend kleine mensen. Ze maken allebei deel uit van de directie van Renz. Als gevolg van zogenoemde dwerggroei kregen ze niet de gewone menselijke proporties. Anneke, geboren in 1943, zegt daarover: “Ik mocht niet naar dansles van mij vader, en mocht al helemaal geen vriendjes hebben.
Hij dacht dat niemand mij zou willen, omdat ik zo klein was. Hij was bang dat ik door jongens in de maling zou worden genomen. Maar ik was daar helemaal niet bang voor. Ik had een mooi koppie, ik kon vriendjes genoeg krijgen!” Ze verwijt haar vader dat ze te beschermd werd opgevoed. “Hij zei altijd tegen me: ‘Ga nou maar goed leren, want trouwen zal voor jou wel moeilijk worden.’ Volgens hem was ik voorbestemd voor het kantoor. Ik wilde toneelspeler wor-den. Dat leek me mooi! Nou ja, ik wist wel een beetje dat ik voorbestemd zou zijn om rollen als Klein Duimpje te spelen.”
En Milko, altijd vrolijk, heeft van de nood een deugd gemaakt: “Vroeger, als klein mannetje, hoefde je maar te laten vallen en de hele tent lag in een deuk. Het was erg makkelijk had m’n lengte mee. Als kinderen mij zien roepen ze vaak: ‘Kijk, een klein mannetje!’ Ik heb daar totaal geen moeite mee. Wel met de manier waarop de ouders vaak reageren. Ze trekken hun kind weg, en je hoort ze zeggen: ‘Dat mag je niet zeggen, dat is geen klein mannetje!’ Als ik dat hoor, dan stap ik op de kinderen af en zeg: “Jij mag dat wel zeggen, hoor!”
Uitgebreid wordt ingegaan op de dieren. Een onderdeel van het circusprogramma dat nogal eens onder vuur ligt. Bij circus Renz wordt sinds de oprichting in 1911 met dieren gewerkt. In het boek staat daarover: ‘Iedereen kan een bezoekje brengen aan de stallen, een repetitie bijwonen of een kijkje achter de schermen nemen. (…) Voor de directie van Circus Renz is het een erezaak dat de dieren een perfecte behandeling krijgen en een optimaal verblijf hebben.” Circus Renz geeft van 23 december t/m 9 januari voorstellingen in Haarlem.
Ko van Leeuwen