Bastille, Enschede, 1965-1967

‘Ik hunker naar plekken die door mensen zelf zijn gemaakt’

De opdracht voor de stedenbouwkundige inrichting van het terrein van de TH Twente, het Agora-project, gaat aan Piet Blom voorbij. In plaats daarvan krijgt hij in 1964 de opdracht om één gebouw, de definitieve mensa, te ontwerpen. Deze opdracht heeft hij te danken aan ir. Willem van Tijen, de architect die hem eerder een opdracht gaf voor het verbouwen van de tijdelijke mensa, ‘de Boerderij’. Hoewel Van Tijen en zijn collega Van Embden een structuur voor ogen staat die een vrije groei en ontwikkeling van de campus toelaat, ontwerpt Blom uit baldadigheid een fort. Hij is zich terdege bewust van het cadeautje waarmee hij is afgescheept. Volgens Bloms partner in dit project, Rob Blom van Assendelft, werd het ontwerp in één nacht op papier gezet. ‘Piet was heel drastisch. Hij had zich erbij neergelegd en vroeg wat ik van zijn eerste aanzetten van het ‘fort mensa’ vond’ (5). Van Tijen heeft het fort van Blom nooit begrepen. Dit blijkt wel als Van Tijen later zegt dat de definitieve mensa het tegenovergestelde is geworden van wat zijn bedoeling was. Het gebouw had volgens hem geen enkele relatie meer tot zijn omgeving. ‘Misschien is het uitwendig knap. Ik kan het niet zien. Inwendig is er een zeer verrassende, zeer gecompliceerde ruimtelijkheid: mogelijk ook knap, maar er is geen enkel spoor van vrijheid’ (7).

Het ontwerp van Blom is een aanklacht tegen de afwijzing van zijn stedenbouwkundige visie, de structuur die hij voor ogen heeft. Hij zegt hier later zelf over: ‘Ze konden niet om me heen, maar hebben totaal niet de moeite genomen om een goede plek te kiezen. Daarom is deze nieuwe mensa een protestgebouw, een soort stad in het klein geworden.’ Blom ziet het liefst dat zijn mensa in het centrum van één van de naburige steden wordt gebouwd, vervlochten met het sociale en economische interieur van de stad. Nu rest hem slechts de mogelijkheid een complexe verwevenheid van functies binnen de muren van de mensa te realiseren. Hij zou de mensa zelfs als casco willen opleveren, zodat de constructie door studenten zelf kan worden afgebouwd: ‘Ik hunker naar plekken die door mensen zelf zijn gemaakt’. Niettemin regisseert hij het interieur tot in de kleinste details. Werkelijk niets laat hij aan het toeval over. Hij zorgt ervoor dat de grote verscheidenheid aan functies die het gebouw moet huisvesten nauwgezet in elkaar passen. Het wordt een kleine stad, in een uiterlijk massief gebouw, afgeschermd van de buitenwereld. Het daglicht slechts binnenvallend door smalle, hoge ramen. Het bestuur van de TH zet grote vraagtekens bij het ontwerp. Blom antwoordt dat men maar moet wachten tot het klaar is: ‘Ik zal jullie laten zien dat het kan’.

In 1965 richt Blom voor ontwerp en uitvoering van de mensa, en samen met oud-collega Rob Blom van Assendelft (Blom werkte eerder samen met Blom van Assendelft op het bureau van Herman Knijtijzer), de ‘Werkplaats voor Publieke Werken’ op. Met deze titel verwijst Blom op ludieke wijze naar de Dienst Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Op die manier wil hij zijn ongenoegen uiten over de overdreven bescherming van het architectenberoep. Het vak mag volgens hem niet slechts voorbehouden zijn aan een kleine elite.

De eerste tijd werken Blom en Blom van Assendelft nauw samen aan het arbeidsintensieve project. Vervolgens treedt ook bouwkundig tekenaar Lucien Lafour toe tot de ‘Werkplaats voor Publieke Werken’ en namens de Technische Hogeschool komt Wim Samusamu erbij. In een gesprek met Ruud Brouwers omschrijft Blom zijn drie collega’s als ‘een toevallige verzameling van mensen’. ‘Rob is in wezen een civiel-ingenieur-achtige figuur, een begeleider die niet in het architectenvak past. Lucien is een ex-classificeerder die helemaal gek van architectuur is, maar niet op de HBO mag omdat hij geen HBS of zoiets heeft en Samusamu is een Ambonese man met een wonderlijk verleden. Alle vier hebben we gewerkt aan de ontwikkeling van de mensa’ (8). Gedurende de bouw van de mensa reizen de leden van de ‘Werkplaats’ tweemaal per maand per vliegtuig naar Enschede om het bouwproces te begeleiden. Blom van Assendelft: ‘Wij dachten dat vliegen meer tijdswinst zou opleveren dan eindeloos met de 2CV van Piet naar Enschede te rijden.’ Omdat vervolgopdrachten voor de ‘Werkplaats van Publieke Werken’ uitblijven beëindigen ze uiteindelijk hun samenwerking.

De mensa aan de ‘Boulevard’ van de TH krijgt als grondplan vier kubussen van prefab beton. Rob Blom van Assendelft: ‘De mensa was één van de eerste geprefabriceerde gebouwen van Nederland. Alle vloervelden, balkmaten, kolommen en overkragingen waren identiek. De Nedam besloot zelfs een complete installatie voor betonfabricage op de bouwplaats te zetten.’ De structuur die Blom binnen de muren van de mensa laat ontstaan staat voortdurend bloot aan kritiek. Blom vindt de kritiek te voorbarig en wakkert met genoegen de discussie verder aan met prikkelende standpunten. ‘Het is een gebouw dat als het ouder wordt pas zijn gezicht krijgt. Ga maar kijken, je zult er verbaasd van zijn dat er in deze tijd met rijksgelden werkelijk een stuk chaos gemaakt kan worden’ (4).

Bloms ‘chaos’ wordt pas duidelijk in het interieur. Doordat de ruimten in elkaar overlopen ontstaat een labyrintachtig geheel en krijg je de indruk door een kleine stad te lopen. In feite bestaat de mensa uit niet meer dan drie verdiepingen, maar door de vele trappetjes en trappen vergeet je al snel waar je je bevindt. De trappen vormen de verbindingen tussen een ware kakofonie van kleine en grote ruimten: een theatertje, een speakerscorner, een dancing, een café, een kegelbaan, een filmzaal, een snackbar, noem maar op. De eigenlijke mensa en keukens bevinden zich op de derde verdieping, waarbij daglicht via sheddaken op de wanden van grijs beton en baksteen valt. Nergens in het bakstenen interieur tref je een strakke witte muur aan. Alleen de wanden van ruimten ingericht door leerlingen van de kunstnijverheidsschool uit Enschede, krijgen een kleurtje.

De gevel, die de complexe interne structuur van het vijf miljoen gulden kostende gebouw verhult, is een waar eerbetoon aan het gebruik van baksteen. De façade, in combinatie met de smalle torentjes, zorgt ervoor dat de mensa al snel de bijnaam ‘Bastille’ krijgt. De vergelijking met de stoere gevangenisburcht uit het Parijs van de 18e eeuw is niet zo verwonderlijk; Bloms mensa laat een dermate solide indruk achter dat ze voor de eeuwigheid lijkt gebouwd. Anno nu is de ‘Bastille’ nog steeds de officiële titel voor het in juni 1969 opgeleverde ‘fort’ van Blom. Een fort dat symbool staat voor het kloppende hart van de universiteit.

Comments are closed.